Omdat de dokter mij had geadviseerd te blijven bewegen had mijn vrouw me op een zondagochtend in duidelijk woord en gebaar aangesproken met de tekst “Hoewel het niet verplicht is nu te gaan wandelen, raad ik je dringend aan om nu met mij een wandeling te gaan maken”.
Nu is een wandeling op een zondagochtend een stuk aangenamer dan het bezoek aan een kleding magazijn op zaterdag middag, maar ook omdat ik graag gehoor geef aan het advies van artsen en nog meer bespaard wilde blijven van de toorn van mijn eega, trok is de brave schoenen, een dikke jas, een warme pet en dikke handschoenen aan, Buienrader had immers een gevoelstemperatuur van ver onder mijn favoriete temperatuur had voorspeld, en mijn wandelstok, broodnodig vanwege de erg terug gelopen kracht in de benen, en even later stonden we buiten in de vrieskou.
“Waar zullen we heen lopen” vroeg ze, ze beschikt immers over meer overtuigings-, dan besluitkracht.
“Laten we richting haven gaan” stelde ik voor wat ze meteen accepteerde, we trokken onze schoenen een warme jas aan en ik zette mijn petje op, pakte, om een val te voorkomen, wat een groot risico is omdat onze gemeente graag veel geld uitgeeft aan overbodige opsmuk en de kwaliteit van wegen en voetpaden graag naar een vooroorlogs, de tweede wel te verstaan, niveau terug te brengen, wandelstok ter hand en we waren onderweg.
Eenmaal bij de haven, die een paar honderd meter van onze domicilie gevestigd is, hadden bereikt, achtte ik het gezonder om ons een wandeling rond deze permanent tentoonstelling van historische schuiten aangevuld met het pocherige “kijk mij eens rijk zijn” bootjes, te vermijden, aangezien onze gemeente ergens een paar ton antieke keien had gevonden en die willekeurig daar heeft laten neerleggen door waarschijnlijk oude, nijvere en versleten ambachtslieden wat de kans op een val niet echt verkleinde en sloegen we af in de richting van wat eens een aantrekkelijke winkelstraat was. Tenzij men dol is op kappers, koffieshops en smoezelige cafetaria is er weinig van de oude grandeur over, zelfs de kerk die pontificaal de toren hoog, in de toen grijze, lucht stak is vervallen en wacht op een andere bestemming dan dat van huis van wat god wordt genoemd.
En voor die kerk gebeurde het!
Er naderde ons een schootmobiel, bezeten en bestuurd door een man die zichtbaar niet meer tot de jongeren behoorde. Hij reed on tegemoet, stopte, keek ons aan en vroeg:
“Mag ik jullie iets vragen?” hetgeen wij, vermoedend dat de man vanwege alzheimer of een andere verschrikkelijke kwaal de weg was kwijt geraakt, toestonden.
Hij keek ons aan en vroeg:
“Wat was ik vroeger en heb ik nu?
uit respect voor de nog ouderen dan nu dorsten wij geen erge kwaal te benoemen en lieten weten het antwoord niet te weten.
Hij keek ons aan en zei:
“Een snotneus” en haalde een tissue uit zijn jaszak en snoot zijn neus tussen het schaterlachen door.
“Ik zie het al, een jongen van acht in het lichaam van een zeventig jarige” reageerde ik ad-rem als altijd.
“Nee, ouder.”
“Een jongen van negen dan?”
“Nee, doe bij de zeventig maar….. zeventien, nee achttien jaar extra..” zei hij, en reed lachend weg.
Mijn dag was ineens geweldig geworden!
